Post Tagged ‘improvisatie’

De bonte specht klopte op mijn deur.
Ik deed onverwacht snel open. Dientengevolge hamerde de specht routineus verder.
Aangezien ik al aangenamere sensaties gekend heb dan een scherp geslepen snavel die mijn navel openrijt,
zei ik tegen de specht: “Gij vermaledijde oorwurm.”
De specht murmelde op zijn beurt: “Ik ben geen oorwurm, wel een specht. Een bonte. James de Bonte.”
Ter hoogte van het woord James mag u een crescendo indachtig houden.
Waarop ik antwoordde: “Ik hou niet van spechten met een bontjas. Spechten met een bontjas zijn gemeen.”
Doch de sluwe specht repliceerde: “Het door u aangepaste citaat gaat over madammen met een bontjas.
Ik ben geen madam, ik ben een meneer. Als het u belieft, kan u dit verifiëren door -”
“Ja ja, ik geloof u”, antwoordde ik. ’t Is toch altijd wat met die bonte spechten.
Afijn, het vleugje Oostenrijkse gastvrijheid dat mijn leden kenmerkte gebood me de specht een zitplaats aan te bieden.
De specht, geboren wormenvreter, liet het zich geen twee keer zeggen. Hij vloog ijlings naar de stoel, klampte zich met beide poten vast aan de leuning, en begon mijnen eikenhouten te bepikken dat het geen naam heeft.
Plots echter voelde de stoel zich danig bepikt dat hij zei: “Ik geloof rotsvast dat de heer specht een pik op mij heeft.”
De specht zei: “Spreek en ik zal gezond worden. ” De bepikte stoel sprak en de specht werd gezond.
(Hij had namelijk een besmettelijke leverziekte opgelopen na de slechte vertering van een overrijp stuk schors.)
De aldus genezen Dendrocopos major ging door met pikken. Gezien het uiteraard nog steeds aanwezige zenuwstelsel van de stoel,
voelde deze zich nog altijd bepikt. Echter, bepikt worden door een gezonde specht beschouwde hij als duchtig amusant.
Meer zelfs, de stoel vond het vergelijkbaar met het wederzijdse ontvlooischouwspel van de gebroeders apen. Of het fenomeen
van de buffelpikkende buffelpikker. Een vogel. De stoel bedacht dat hij met gepaste spoed een thesis wou schrijven
over buffelpikkende buffelpikkers. Hij deed een opwaartse stretchbeweging en wipte de grote bonte van zijn grote houtige af.
Eerstgenoemde fladderde terug naar zijn familie. Hij werd met open vleugels ontvangen bij de Picidae, haalde meteen lijm en plakte de vleugels terug dicht. Einde van deze moraalloze fabel over mezelf, een specht en een stoel.

Vermetele boerderijknechten

Vermits gijlie daar toch maar ligt te gapen gelijk de apen,
zal ondergetekende u met een verhaal verblijden.

Er was eens… Jaak, de mestboer.

Een mestboer heeft vele mestkevers op zijn mesthoop. Zo ook Jaak.
Jaak sloot al gauw een innige vriendschap met Juul, de Opperste Hotemetoot van de mestkevers.

Op een dag was Jaak op bezoek bij Juul.
Jaak spreidde zijn neusgaten net op het moment dat Juul hetzelfde deed met zijn vleugels.
Uit die laatstgenoemde vliegorganen sproot een dergelijke stank voort dat Jaak van de weeromstuit van zijn stokje lag.
’t Is te zeggen, misselijk werd. Ge moet dat stokje niet letterlijk nemen, hij is geen papegaai.
Juul stond daar nu met zijn mond vol tanden. Hij zat daar nu met de billen bloot.
En om het allemaal nog erger te maken: Juul had een hekel aan zegswijzen.
Gezien zijn halsstarrige weigering om spreekwoorden figuurlijk op te vatten,
haalde hij zijn kunstgebit uit zijn mond, liet hij de 90-jarige kevermeesteres Tanya op zijn bips slaan met een
roede waar Zwarte Piet jaloers op kon zijn, en trok hij vervolgens zijn broek en gebit terug aan.
Bedankt, Tanya, ik kan er weer even tegen.

Dit gezegd zijnde vloog Juul tussen de halfontbonden bananenschillen en de geheel verrotte eierschalen naar zijn uit humus opgetrokken keukenkastje. Vervolgens gooide hij met een wip van zijn dichtstbijzijnde voelspriet een flesje vlugzout op zijn dekschild en poetste hij de plaat richting ongenode gast.

Sjonge, sjonge, ’t is me wat met die mensenbeesten tegenwoordig.
Ge kunt ze niet meer onder uw vleugels nemen of ze vallen flauw.

Wordt niet vervolgd (voor uw eigen bestwil).

Boer Fons