Post Tagged ‘het leven zoals het is’

Drie berichten op een dag? Ik weet het, heer, ik ben niet waardig dat gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden. Toch een kleine nuance: de twee vorige blogsels waren respectievelijk een (strip)tekenfilmpje en wat ijdele zelfreclame, dus die stellen bitterweinig voor. Wat u nu leest daarentegen, is van een heel ander kaliber. In deze nieuwe reeks, met de uiterst originele titel Het leven zoals het is: de supermarkt -even dacht ik nog aan warenhuiswaarheden, maar ik wil mijn alliteratiegekte de kop indrukken- ga ik op zoek naar de mens achter de winkelkar. Als u dat wil -en u wil het- wordt u in deze eerste aflevering de bevoorrechte getuige van een antropologisch onderzoek dat nooit eerder uitgevoerd is, een studie naar het gedrag van de bonnetjesmens.

Er zijn twee soorten mensen: mensen met bonnetjes en mensen zonder bonnetjes. Laten we de eerstgenoemden voor de eenvoud de bonnetjesmensen noemen en de laatstgenoemden de bonnetjeslozen. Hieronder volgt een nauwgezette omschrijving van de leefgewoonten van die eerste soort, op basis van een empirisch onderzoek dat gepaard ging met een jarenlange infiltratie van mijnentwege in hun natuurlijke habitat: de supermarkt.

De doorsnee bonnetjesmens draagt een lange voorgeschiedenis met zich mee. De soort heeft in de meeste gevallen minstens een halve eeuw ervaring met bonnetjes. Het hoogtepunt van die ervaring is te situeren in de Tweede Wereldoorlog, toen voedsel enkel mits bonnetjes gerantsoeneerd kon worden, tenzij men op de zwarte markt zijn licht ging opsteken. Deze decennialange training werpt zijn vruchten af. Dit merkt de kassabediende meteen aan de zondvloed aan keurig tentoongespreide bonnetjes die hij, nog voor hij de klant met een routineuze goeiedag begroeten kan, net niet in de neusgaten geduwd krijgt.

De bonnetjes waarvan sprake zijn er in alle maten en gewichten; Sommige lijken, samen met de eigenaar, ternauwernood enkele oorlogen overleefd te hebben. Andere bonnetjes schamen zich niet om erop los te fonkelen in al hun nieuwerwetsigheid. De ene bonnetjes hebben gekartelde randjes -licht gekarteld, laat ons wel wezen, de scheurkunsten van de bonnetjesmensen kennen hun weerga niet-, de andere zijn op hun beurt gaaf aan alle kanten, het zijn de snobs in bonnetjesland, welriekend in het pak, geurend naar de verse ochtendkrant.

Maar ik weid uit. Terug naar de eigenaars van dit losbladige curiositeitenkabinet. Zoals wellicht reeds duidelijk werd in de bovenstaande uiteenzetting, heeft de bonnetjesmens over het algemeen al een zekere maturiteit eens hij voet aan wal zet in de supermarkt, een oord dat tot de laatste hortende ademstoot zijn fel gefrequenteerde tweede thuis zal worden. Een gemiddelde leeftijd durf ik er niet meteen op te plakken, maar gewis, het zal boven de zestig zijn. Ondanks hun ouderdom lijken de meesten onder de bonnetjesmensen, zowel de mannetjes als de wijfjes, respectievelijk een vaderschaps- of moederschapsband te onderhouden met hun dierbaarste bezit, de bonnetjes. Het is dan ook raadzaam om deze als hun vlees en bloed te beschouwen en hen met het nodige respect te behandelen. Een misprijzende of zelfs maar licht neutrale bejegening van de papieren kroost van een bonnetjesmens kan eenieder die het zich in zijn hoofd haalt duur te staan komen. Elke schending van de fysieke integriteit van de kroost dient te allen prijze vermeden te worden. Voorbeeld: als de bonnetjes vooraan op de lopende supermarktband worden gedeponeerd, doet elke kassabediende zonder zelfmoordneigingen er goed aan de roulatie van de band per direct een halt toe te roepen via een druk op de daartoe voorziene knop. Mocht die raad door een onwetende geest in de wind geslagen worden, dan zijn de gevolgen niet te overzien. De mogelijkheid bestaat immers dat de papieren kroost gedwee door Hades’ poorten glipt en voor lange tijd onvindbaar is, rondfladderend tussen kassa en warenhuisvloer. De enige troost die de kassier de bonnetjesmens in een dergelijk geval kan bieden, indien die laatste de neus van de eerste nog niet aan het afbijten is, is het inschakelen van Childfocus.

Ten slotte is uit deze antropologische studie gebleken dat sommige radicale bonnetjesmensen de neiging hebben de talenten van hun zoon of dochter, excuseer, van hun bonnetjes te overschatten. Een bon is slechts in staat een prijsvermindering te bewerkstelligen ten belope van de geïnkte tatoeages op zijn of haar huid. Hoewel alle talenten van hun kroost dus zwart op wit vermeld staan, koesteren sommige bonnetjesmensen vroeg of laat de ijdele hoop dat hun bonnetje nog latente talenten bezit. Dit kan voor hoogoplopende discussies zorgen aan de kassa, waardoor er lange wachtrijen kunnen ontstaan. Een bonnetjesmens is echter, door de jarenlange training en het rotsvaste geloof in het kunnen van de eigen kroost, vaak moeilijk te overtuigen van het tegendeel. Gedragspsychologen en antropologen die dit fenomeen bestudeerd hebben, zien hierin de uiting van een natuurlijk overlevingsinstinct. De eigen soort moet voortbestaan, dus de kroost moet te vuur en te zwaard verdedigd worden. Aangeraden wordt om er in extreme gevallen een meerdere bij te roepen, zodat de bonnetjesmens uiteindelijk beseft dat het tijd wordt om zijn jachtgebied te verlaten.

Plompverloren. Zo voel ik me.
Geen vleugje aandacht, laat staan wat erotiek. Nee.
Geen mens die eraan denkt mijn zilverkleurig jasje uit te doen.
Geen man of vrouw of kind wil me pakken in het wulpse gras.
Zelfs- geloof het maar- geen ouderwetse bomma.

Ik lig daar maar. Opgesloten in de garage -of is het de kelder, ik weet het niet, ’t is hier zo donker- tussen andere slachtoffers.
En ge moet niet denken dat ze mij bij mijn vrienden hebben gezet, de beulen.
Ge moet niet denken dat de barbaren me een zitje geregeld hebben bij mijn maten.
GE MOET HET VOORAL NIET DENKEN, nee.
Ik zit daar maar te zitten.
Een asiel is het, ik zeg het u.
Nog erger dan het klein kasteeltje.

Nog steeds trouwens.

ZONDER bezoek. ’t Is maar dat ge ’t weet.

In een bende. Een bende van onbenulligen die elkaar van haar nog pluimen kennen- wat zeg je? Hoe ze eruit zien?
Links van mij zit er een witte. Van Zichem, zei hij. Hij is naakt, pasgeboren zo blijkt.
En aan mijn rechterzijde, oh, wat een vriendelijke neger! Zwart en hard vanbuiten – maar zo puur, zo zuiver dat hij is!
En ik, ik ben een bruine. Een tussenslag, jawel, ik hoor het u zeggen, niets meer en niets minder dan een mulat. Gelijk hebt ge.
Wilt ge dat ik de wittekop mee uitvraag? Vergeet het maar. De snotneus met spieren van botermelk.
En de zwarte, die ziet me niet staan. (Ik hem trouwens ook niet, in dit donker hol).

Als ’t hier nog lang gaat duren, zal ’t hier rap gedaan zijn.
Mijn botten worden poreus in die vochtige kelder.
En dat wil ik niet. Weet ge wat ik wil? Weet ge het? Nee?
‘k Zal het u eens zeggen. Kom eens hier. Dat ik het u in uw oor fluister.

(Ik wil dat de beulen komen en dat ze mij slaan. Ge kent dat wel. Me hier en daar een klopke geven, sm-gewijs.

Dat ze zo al mijn botten breken. En me vervolgens in hun grotten van monden steken. Ik wil dat mijn harde huid
smelt op hun warme tongtapijten. Ik, De Smeltende Mulat.)

Maar eerst… wachten.
Nu niet voor ’t een of ’t ander, maar …

het leven is behoorlijk saai
als paasei tijdens de Goede Week.