Poëzie

Hier vindt u alle gedichten die ooit verschenen als gedicht van de week of als blogbericht. Dit archief wordt wekelijks aangevuld. Althans dat is het streefdoel, waarop nogal wat uitzonderingen bestaan. De inhoud van deze pagina is grotendeels chronologisch samengesteld. Dat betekent dat u onderaan de meest recente gedichten kan lezen. Reacties zijn van harte welkom.

VENUS

Ze voer op een schelp
of was het een oester
de parel uit het schuim der zee.

Bij vloed en springtij
zag ik haar
de branding sieren
om met teen en tong
de pier te strelen.

Als de pier kon was hij
rechtop gesprongen gewis
had hij de bronst getrokken
uit het monopolie
van mensen en dieren
en had hij uit bronst
een monopolie getrokken
voor de pieren.

Voor ik het wist was het eb.

BEZETEN

Na uren zitten stond ik recht
en de zetel had de vorm
van mijn zitvlak aangenomen.

Ik zei: ’t is ver gekomen
met het antropomorfisme.

Hij is me daar toen eventjes
omhoog gerezen
als om het spoor der mensheid
uit te vegen.

GELDZUCHT

Hoe hard mijn woorden
ongenadig botsen
op een donker labyrint
van geldspuwende bomen.

Hoe in datzelfde woud
de geldwolf zich tot
minotaurus kroont.

Zo zal ik lachen als
de geldschieters komen.

ODE AAN DICHTERSDROMEN

Dag visserke vis met de pijp van Parijs
negentienhonderd. Goede morgen licht
wit als sneeuw die vallend zwicht
voor de stolp van dit glazen paleis.

Graaf je in – paukeslag – in de duinen,
strek je handjes – voel de hellebaarden tic
je twee handjes naar de toortsen tic tic,
breek ijs en stilte in zwetende tuinen.

Raap je pijp zet je pet op herinner
wat de donder gezegd heeft tic tic,
dat hij nooit ofte nimmer kan deren
een prins in een gracht zonder kleren.

Steek je sleutel in ’t hard helleslotje,
volg nu trouw elke ster en lantaren
om verlangend naar houtvuur tic tic
uit het wak van de wereld te varen.

’S OCHTENDS KOMEN DE VOSSEN

Voor minder doe ik het niet zei hij
en hij ging op in een massa van
toeristen en hamsteraars en
boektisten.

Hij trok een sleepspoor
in de sneeuw en zich terug
in zijn boekenburcht.

Zijn naam was Jules,
hij sprak geen Vlaams.

DEUR

Open is ze nooit
gesloten de witte
deur niet die van
Zichem dat boerengat
ongetwijfeld schoon
maar niet ter zake
da’s op canvas of
gebeitst cederhout met
een vleug dampende
ammoniak excuseer
om te ontvetten meneer
want haar hengsels
pakken niet voor niets
de muur zo stevig vast.

DANS MAAR

Jij

Op het ritme van een smeltend baldakijn van
hoop en al achtduizend
____________achthonderd
_______________achtenveertig meter.

Laat de drums –paukeslag- in je poriën,
roep de vluchtende Yeti in huis.
Ontmoet de duivel van dronken memoriën,
duld het leven als wat het slechts ruis.

|| Blijf dansen in een wereld van baarlijke nonsens,
breng als je baart niets dan nonsens ter wereld. ||

Word Sartriaans misselijk,
braak vol de potzwarte zee tot de vissen
de weg niet meer vinden, steek je struise kop
in ’t zand, vogel vrank en vrij met je houten stok,
je kater, je houten kop in ’t water. Knak.

|| Brand je hoge bomen tot de wortel af
en ontgin je nieuwe begin verzin
een doel voor je akelig streven. ||

Haal geen uitgedroogde mensen op het droge,
geen bitterzoete broodjes bied hen aan
een vleugje hubrisiaanse zeg zal ’t gaan.

Maar beloof
dat je ook jezelf zal weggooien met het water.

VAN ALLE TIJDEN

Bont bepriesterd was ons landje

rond de oorlog nog. Kanseltieren
godsgeschreeuw en meer begon
de kerk te sieren. Ook toen al doch
kindvriendelijke pedofielen.

Fel beboste paterbenen prakten
tere peutertenen tot een hoopje
zaad dat nooit zou kiemen.

Braakt nu niet gij allen maar
plukt wat gij geoogst hebt
mogen wíj nu preken
na de zondaars ten tonele
in de vergeetput Gods te steken.

MIJMERPOËZIE, EIGEN RECEPT

εὕρηκα

Ik juich als ik de containergeur van de peuterklas
ruik in een andere container zo’n negentien jaar later.

[Container is een lelijk woord.
Als gij lelijke woorden ontmoet,
zult gij synoniemen zoeken,
zei ooit een wijze meneer
of toch niet, maar als hij
echt wijs geweest was,
dan had hij het gezegd.
Wie zoekt, die vindt,
zei Jef Nys en ik vond
mezelf en een kwartje
in omgekeerde volgorde,
maar geen synoniem,
behalve verzamelbak.
Verzamelbak dus.]

*Papier wordt elektronisch verfrommeld en gedeletet, jazeker met een ‘t’ vanachter,
gij achterlijk rood onderstreepsel dat ge zijt -lap, nu begint hij onderstreepsel ook te onderstrepen,
hebt ge ooit al van een wezen zijn bestaan geweten dat het nodig vond zichzelf te onderstrepen?-

als ge het niet meer weet, ’t is naar analogie van indevuilbakgemikt.*

(De eerste twee verzen worden bij dezen geherformuleerd, nvdr)

Ik juich als ik de verzamelbakkengeur van de peuterklas ruik
in een andere verzamelbak zo’n negentien jaar later.

Mezelf pleeg ik dan ook
een geboren nostalgicus
te noemen, hoewel ik geloof
dat dit niet zo speciaal is
aangezien ik geen enkele
nostalgicus ken die nooit
geboren werd.

Ik loop nog net niet naakt door de Syraceense straten als
ik een eerste druk of iemand anders voor mij heb gevonden
(getooid in livrei) op de vlonder van mijn meters stonden.

[Maar wat zal het, als tijd niet bestaat.]

Kijk niet zo verdwaasd, het is niet meer dan een spinsel,
hoe meer ge erin trapt, hoe meer ge verward raakt.
En bij hoge appetijtsgraad zult gij verslonden worden.

PANORAMA

<Camera draait>

Fluit  speelt. 
P A U K E S L A G
Fluit speelt.

De mist komt over de bergen.
De wolf huilt, de wolvin huilt,
het wolvenkind huilt niet en
dat had u niet verwacht.

Fluit zwelt aan,
trom trom trom
tro tro tro tro trom
trom trom trom
P A U K E S L A G

De mist wordt gewist
door een veer op
de verweerde kop
van een squaw.

Regenpijp kantelt.
En opnieuw.
En opnieuw en opnieuw
en opnieuw en opnieuw
en – stop de tijd.

<Zoom in>

De mocassins
sloffen en pletsen
en ploffen op het
gekwelde korstmos.

<Zoom uit>

En doorheen
de hete bliksem
sist en lispelt ze:

Dag donder dag
Thor til je speer daar
waar het donker is
bezwem het meer
dat immer dronken is
sidder bibber beef
ik ben een vrouw.

VENUS BIS

Ik zat laatst op een boorplatform
een meermin te beloeren.
Ze deed haar best om met haar vin
mijn zinnen te beroeren.

Ik ben een ster, zo sprak de vrouw
bij monde van haar kieuw,
en ben ontsproten hier en nu
uit ’t schuim der ballen – Ieuw,

riep ik, gij pervers wezen,
sta op, pak uw schelp en ga.

Spijts haar moeite kon ze ’t niet,
ziehier de psalm, moreel failliet,
maar leuk om eens te lezen.

JANUSHAREN

Ik ben een Vlaams tapijt,
massage voor propere voeten,
schuurpapier voor Janusharen.

Ik heb je blootsvoets
laten komen en
moedwillig
de pruik der bokken
opgezet.

De tapijtentaak
is nobel zolang jij
de garen niet bezet.

Scheer je en je weg.

FÜR ELISE

Miremiremi sire dola
domi lasi
misol sido.

Mi.

Miremiremi sire dola
domi lasi
redo si
laaaaa.

CECI N’EST PAS UN JASMIN

gij hebt zo van die paarse
en dan uw takken
gij hebt zo een stam
waar de bonte blijft plakken

gij geurt zo gul
dat ik van u
dat gij van mij
dat wij
samen
dronken zijn.

GESTRIPT

Stel je voor

dat de strips strippen
en zich uitkleden
tot ballonnens toe.

Dat jij er eentje vangt
zo’n pas uitgestripte ballon
met bruinboekerige geur
en dat je opgewonden
de ballon
in je mond steekt.

Stel nu dat die van jou
niet zo’n bliksem heeft,
wel van die vissenbubbels
of hoe noem je dat
die luchtborrels
ademhapsels weet ik veel
je weet wel – ja die.

Dan mag je vooral niets denken
of niet denken dat we niet zien
wat je denkt – nee verdomme
denk dat maar niet
we zullen ze wel ruiken
die bruinboekerige geur
die geilheid van
gezond verstand
maar ook als het
is aangebrand.

ADAM

Het nadeel aan de hitte is

dat mijn laptop koorts
en mijn handen
ei zo na blaren
als aan de prachtig
saaie esdoorn
net geen bloesems
geen jasmijnen
waarvan je de jas
kan afpellen
die is de hare
om te zeggen
jij bent de mijne.

Het nadeel aan de hitte is ook
dat alles plakt als
een gladvergeten zuurstokje
achter in de boekenkast
ter hoogte van Tolkien,
het derde initiaal.

Het voordeel aan de hitte
en aan dat samenklitten
is dat je ‘t vlug vergeet
als je even Adam heet.

EENVOUDIG HUBRISGEDICHT

‘t Was een tijd geleden reeds
Och donders wat belet me steeds
Zijn eiland op te varen
Wind en goesting in de haren.

‘t Getij zag ik opkomen al
Bij ‘t kraaien van de hanen
Maar ‘k was al onderweg en
‘k Roeide voort met sterke spanen.

Zijn poort was nog gesloten
Geen kat was er te zien
‘k Was bijna weggelopen
Tot met huichel en gegrien

Een camera tevoorschijn kwam
Mijn neus begon te trekken
Een doekje uit het  robothek
Mijn  handen kwam ontsmetten.

Toen eindelijk het ijzer week
De oprit smalend glooide
Besefte ik maar al te goed
Dat ik mezelf hier kooide.

‘t Omhooggevallen bas-reliëf
Had stoel noch glas geboden
Maar wel paleizen haremvol
Voorzien van boys en boden.

Ik zei heer, sire, majesteit
Pardon dat ik mij excuseer
Maar voeten wassen doe ik in
Geen dagen, jaren, nimmer meer.

Veel liever schenk ik u een gift
maak open, proef, dan ben ik -um,
vereerd. Hap, slik, wat smaakt dat toch
verdacht veel naar arsenicum.

ERGENS TUSSEN DE STERREN

Er zijn van die dagen
dat ik denk
wat zit ik hier te doen
van die nachten
dat de sterren
me opslorpen.

Het zijn van die nachten
dat ik best niet omhoog
maar beter gewoon
in de zetel
kijk en
zit.

Voor een buis
die licht geeft
een flash van een flashback
mama hoe werkt dat
het werkt via satelliet
daar zijn we weer
‘t is onoverkomelijk.

En toch schrik ik als
mijn mailbox fluistert:
“Je bent onzichtbaar.
Zichtbaar worden.”

DE ALLEGORIE VAN DE GROT

De ene droeg een wit gewaad
met paarlemoeren schoenen.
Zij had gouden haren en
twee borsten als meloenen.

De and’re vrouw was zwart
en toch vorste ik haar beter.
Ze wuifde en trok hard
aan mijn open minneveter.

Haar lach was onnatuurlijk
‘t was alsof een pierenpaar
bilateraal was vastgespijkerd,
eentje aan elk manenhaar.

Begrijp mij niet verkeerd
maar men placht haar soort te noemen
gewetenloze maagden
met gifdoornen in hun bloemen.

Kiezen kon ik nauwelijks
ware het niet dat
mijn pinkstertong met smaak
al in haar vlammenlasso zat.

Maar dat was nog niet alles
want haar balorige handen
maakten alles gloeiend goud
ja zelfs mijn ingewanden.

De witte zegt u die was ik
van schrik al lang vergeten.
Het kon me niets meer schelen
ik werd weldra opgevreten.

Geen kant kon ik nog op mijn
handen staan ik wist het niet.
Al was ik zelf dan bandeloos
mijn lijf en leden niet.

Nu al was mijn bronstego
door tempellust verslonden.
Wat zou de toekomst brengen
als mijn ziel werd vastgebonden.

Net voor ik het bewustzijn
en mijn maagdelijk geweten
verloor ik nog een kwartje
aan de waard die mij zou eten.

Ik riep: verdient gij dat nu wel
gij harteloze trien.
Zo’n beestachtig gedoe
heb ik in jaren niet gezien.

Ze nam het kwartje op
en stak het waar de zon niet scheen,
doch ginds achter de hellepoort
was dat al geen probleem.

De zwarte heks liep mijlenver
maar plots een grot in -huilend
zou de wolf haar groeten
in het holst der hellekuilen.

Dag wolf, zei ik, gij vlooienbaal
ik kom uit een verleden
maar een ding weet ik zeker
‘k ben bilateraal besneden.

Lach niet, wolvenkind, maar klauw
die ordinaire heks.
Hij zei: ok, dat doe ik graag
en ik stond weer perplex.

De wolf grinnikte schamper
want hij kwam van de Ugent.
Hij zei: mijn veto stel ik niet
gij zijt te zeer verwend.

Beduusd klom ik de grot weer uit
de hel ook achterlatend.
Geen wonder dat de wereld barst
al bommend en al pratend.

STILLEVEN

Niets was overeind gebleven
toen de bommen kwamen.

Alleen het tafeltje waaraan hij zat
en hijzelf die aan het tafeltje zat
en insjallah wat water.

Het sprankje hoop waarvan de mensen zeggen
dat het er altijd is, had zich verstopt
in het versleten calqueerschriftje op tafel.

Hoewel de muren waren weggeblazen,
behing de jongen ze met servietten
op velijnpapier, want hij wist
dat hij ook deze spijs nog moest verteren.

DIEPGEWORTELD

Ik vraag me af vanaf wanneer iemands
rimpels verharden tot twijgen
wanneer de ent een Ent wordt
en geen stamgasten meer duldt.

Wanneer de kruin zich roert
tegen ‘t onkruid en dan de wortels.

Ik vraag me af wanneer ze ‘t schieten
zullen staken, wanneer ze zichzelf
frontaal in het verzet zullen storten
met vereende krachten trachten
te schoppen tegen schoppen
die hen toch zomaar ontpotten.

En toch hebben velen wat wijsheid
in pacht en ervaring bij bakken.
Hun ouderdom wordt pas
ontsluierd bij ‘t hakken.

VENUSOVERGANG (VENUS TER)

Ik had nooit gedacht dat de zon
een moedervlek kon krijgen.

Ze is niets anders dan moeder
en vlekken maakt ze zelf.

En toch was er een die woensdagochtend
de zesde van de zesde van het twaalfde
en de wereld wist het nam een bril en
de benen naar de wachten der sterren.

Welkom was ze niet.

Zonnevlekken dulden geen concurrentie.
Zonnevlekken zijn boorlingen van de moeder.
Zonnevlekken zijn dochters en zonen van
Ra-zend kwaad zonden ze haar weg.

De moedeloze moederloze moedervlek
werd in een ellips de laan uit.

Ze was helemaal van haar melk-weg,
dronk ervan met een vleugje
aphrodisiacum werd zo zichzelf dat
ze besloot om binnen laat ons zeggen
honderd nee honderdenvijf
jaar rechtsomkeert te maken
als speldenkop in een lichtbaken.

BEËLZEBUB LEEFT

De demon die naar farizeeërsmannen
al in Jezus huisde, overleefde van het
manna dat nog restte in Kanaän.

Het hemelsbrood gaf hem hellekracht
om eeuwen aldaar te verblijven
als heer van huizen en vliegen
en Bashar al-Assad in te lijven.

De afgod van Ekron
nu vorst van Damascus,
geen haiku weerstaat
de Chinees en de Rus.

IK VOEL ME

Als een geobstipeerde cloaca:
Presenteeeeer reproduceergeweer.

Maakt dat ge voor een gat niet te vangen zijt,
zei het wit konijn.

De gluiperige grijsaard had een tweeloop,
goedkope western zonder gein.

En daar ligt alles plat.
De koningin, de koning in
het gratis vat geen kou
doe je sjaal om trek
met beide handjes
trek je blauw.

KORTE KRONIEK MET LUKRAAK GEKOZEN JAARTALLEN

1990. Het kind stak twee bintjes in d’r mond.
Ze kauwde slikte kauwde slikte kauwde spoog
-oei Ethiopië- raapte kauwde slikte stikte.

Aardappelboer Jef gaf de aardappeleters aardig wat te eten,
hij zei dat de mest toch best wel goed was dat jaar.
Ze konden hun oren niet geloven of toch een van beide,
want dat hadden ze van hun vader, zei Jeanine.

1991. De eters aten nog meer aardappelen.
Verfschaarste trad op. Blauwbaard verkocht zijn krullen.

HORIZON

Op de horizon jagen heeft weinig zin
en zonder zin moet je niet jagen op de kim.

En trouwens: je raakt er toch nooit.
De einder verlegt zichzelf of blijft
en legt een ei een eind verder.

Zie je, nu al zijn mijn synoniemen op
de horizon jagen heeft weinig zin.

ARME ZONDAARS

Het is zo’n dag waarop ik een binnenwandelende mammoet
zou begroeten met ‘goeiemorgen, kom binnen, koffie met melk?’
en niet met ‘moeder Gods, een binnenwandelende mammoet!’

Zo’n dag waarop ik tweemaal naast het handvat
van mijn kop warme weetikveel grijp, de krant
verslind met klontjes cataract en de rooster
des broods voed met ooggewrijf en kaakgenijp.

En dan nog het weer:
opklaringen in het Midden-Oosten, maar
voor morgen zie ik de bui al hangen.

EEN VLAG DIE DE LADING DEKT

Ik kan niet goed bezien
hoe iemand zijn biezen pakt
en toch pak ik ze zelf soms
al te graag.

Zeker als aan een der biezen
een niet ondoorvoede drol plakt,
zelfs een delvoyaanse bindt mij niet.

Ik had dan ook de meeste lol
-en niet eens zo heimelijk-
toen mijn buur in een nog biesloze drol
een vlagje had geplant
met daarop de grote boodschap
-vergeef mij de verbloeming-
vriend, ruimt de fecaliën
van uw poepende gezant.

VIJGEN NA PASEN

En toen den bisschop zijnen scepter hief
hing er engelenbloed aan,
zo zagen zijn schapen.

Ze bogen eerbiedig het hoofd en de leden
en leden onder ‘t zwijgen der natie.

Dertig jaar later voelde geen pater aan zijn minnewater
dat  er gelekt zou worden over het engelenbloed,
dat er gekletst zou worden over sceptergebroed –
o heilige Tarcisius, vergeeft hen hun procrastinatie.

Het engelenbloed werd met enkele haren
teruggevonden onder hunne bedden
(‘t was al zo heidens als op hunebedden).

En toen de toorn des hemels nederdaalde,
werd des bisschops scepter door een kelk vervangen
-heden zult gij niets dan trappisten drinken,
dit wegens de flater met uw minnewater-
en het volk ontwaakte met een krolse kater.

MULTIVRUCHTENSAP

Er komt een dag waarop ik
tegen beter weten in
een oorlogje ontketen
in hun vredevol gezin,
een eremoord bij ‘t eten.

Allemaal dezelfde
met hun molotovs
en hun tulbanden
en hun molotovs
in hun tulbanden. 

Er komt een dag waarop ik
als ik toch bezig zal zijn
een bom of twee laat vallen
op hun bang en blank venijn,
laat hen dan maar brallen.

Allemaal dezelfde
met hun molotovs
en hun tulbanden
en hun molotovs
in hun tulbanden. 

Er komt een dag waarop ik
de Conventie van Genève
in reepjes op hun Audi plak,
net als in hun beau rêve:
‘t is vast weer zo’n Irakmakak.

EDELWEISSTATOETJE

Ik ben terug van Zwitserland
en zo is ook mijn huid.

Ik ben een klein beetje gezwitserd
en mijn huid is een klein beetje gebruind.

Ik vind dat huid niet mag gebruind zijn
als men van Zwitserland komt.

Ik vind dat het moet witten
– huid en fontanel –
en wij de messen moeten wetten
een tatoetje moeten branden
een tatoetje flambé au caramel.

MIJN ROOIE KATER

Soms zie ik in de spiegel zo’n norse politieman
het type dat door romanschrijvers al decennialang
in het verdomhoekje wordt gezet, voor clichés te bang.
Maar dan die scherven en dat geluk, verre van.

Gooi jezelf maar eens aan stukken, wacht tot later.
Een tiental door elkaar, vanaf drie jaar, puzzelen maar.
Ik wed dat je gemoed er vol van schiet en klaar
is hij, mijn monoloog, met verve rooie kater.

ALS VLAS VLAS WAS

Soms zie ik mij als roter aan de Leie
kapellen bouwen boven de rivier
wier gouden haren strelen de voorbije
oorlogswinter van Der Offizier.

Dan ben ik in een vlassershuis geboren,
pluk ik druiven voor een Fransman ver van hier,
kan geen kwade geest mijn kinderkruin bekoren,
wuif ik zingend naar een Britse vliegenier.

Maar blijkt diezelfde kruin ook uitverkoren
voor bommengein en ander loos gedoe,
dan brul ik even hard als de motoren,

ontwaak ik als een kickbokskangoeroe,
een tiental jaren later met senioren
bevrijd en wel rond onze barbecue.

DICHTER

Neem mij mee in je
huis van God, naai
met grote lappen
pij mijn wonden

dicht

een letter voor een ketter
een woord voor een moord
een zin voor de zin van
het leven.

VRIJ NAAR LORD BYRON, CHILDE HAROLD’S PILGRIMAGE

Vertier bieden de wouden zonder paden,
De kust plooit zich tot lach die ieder tart,
Een levenspoel waar niemand in gaat waden,
De zee verdiept muziek immers tot smart:
Niet minder mens, maar meer natuur in ‘t hart.

(Childe Harold’s Pilgrimage)

MAYDAY MAYDAY

En toen zei de Profeet:
Als Castor en Pollux de benen spreiden
is de jacht op de beren geopend.

Kom, kleine beer, zwiep je staart
in de pan van je grote broer.
Kom, ursa, kom ursalala,
laat de pool maar smelten,
laat de ster maar braden in de ban
van het postmodernisme.

Kom Pegasus, breng uw ruiter
naar het westen, richt zijn pijlen
op de draak die immer slaapt.

DE ARGELOZE ZWEMMER

De wereld zit vol argeloze zwemmers,
kijk, daar is er een.

Nu speelt hij wat.
Hij dompelt en hij duikelt,
hij bubbelt en hij druipelt
met af en toe een ademhap.

Kijk nou eens, hij wordt moe.
Hij wordt moe en de hap wordt een snak,
eb wordt vloed, bloed ebt weg uit zijn
benen, er kruipt wier tussen zijn tenen,
zijn handen verzanden tot stenen.

En als het buiten donker wordt,
buigt hij zijn hoofd naar ‘t water,
duikt hij kopje onder, wuift
vergeefs maar mooi tot later.

DE WANDELAAR

Als heesters, ja zo wild is hij
en zacht als boterbloemen,
met ragfijn uitgesponnen hart
van wulpse paardenbloemen
stapt hij door de alpenwei.

In een draf de bossen in,
de wouden in, in ‘t dorpje ginds.
In galop de steegjes in –
een glinstering, een zindering. 

De heuvels glooien naar de zon
die vrolijk aan hun voeten likt.
De zon bedaart haar helse tong
en keuvelt tot in ‘t zoete licht
al van het leven dat begon,
al van de wand’laar die niet zwicht.

In een draf de bossen in,
de wouden in, in ‘t dorpje ginds.
In galop de steegjes in –
een glinstering, een zindering. 

De zon, vermaard om al haar pracht,
vergat haar stralen uit te zenden
toen de wand’laar eraan dacht
zich tot haar vijanden te wenden
en de wolken wonnen kracht
uit het verdriet van d’ onbekende.

BEATI PAUPERES SPIRITU

Als we nu eens Beotiërs mochten zijn
dan dachten we niet aan morgen
dan plachten we de zorgen
te nekken in korven van ambrozijn
dan trachtten we ons bloed
te plengen te delen ons vlees
als was het maar spijs
en als was het slechts wijn

(en met broden en vissen
zou vissen naar zin nooit meer
dan een zinspeling zijn).

HERFST

Het blad trilt als wil het een
naargeestig landschap toveren,
stam en twijg en bloesems
in stilte gaan veroveren,
nog voor de maan de wolken
roze kleurt.

Achter mij knakt er iets
dat ooit leek op een boom,
ik voel geen zuchtje wind,
meer zelfs, ik voel niets.

OOK DAAROM ZIJN WIJ DE DAPPERSTEN

Als ‘t tegendeel niet duidelijk was,
mits kwaad eczeem van boeken
waar kuddes koningskinderen
(in vitro, non de officio)
ter wereld zijn gebracht,

was het woord me reeds ontvallen,
zelfs bij machte te vergallen
uw verblijf, uw santenboetiek
in dez’ bananenrepubliek.

OBAMA

O!

Sandy woei de beesten door mekaar
ik zie een ezel in een leeuwenvacht
bereden door een zwarte
hij zit geloof ik een olifant
achterna hij richt hij schiet en

BAM!

ondertussen het gedruppel
zwarte tranen hebben rode wanen
opgedweild en weggevreten

A!

en morgen rond halfzeven
is de stalagmiet herrezen

rest ons: verenigd te blaten.

VENSTERLOEREN

Vijf kruinen op de achtergrond maar hoog
aan de hemel als ultieme spanningsboog
en eentje naast een schoorsteen op de voorgrond.

Dit alles wit omkaderd met een dwarse streep erdoor,
vermiljoen verdomme.

OP ‘T VLAAMSE LAND
(vrij naar In Flanders Fields van John McCrae)

Op ‘t Vlaamse land bloeit de papaver
Tussen de kruisen, op een kadaver
Om u ons graf te wijzen; en in de lucht
De leeuweriken, zingend in hun vlucht
Doch niet gehoord boven ‘t gedaver.

Wij zijn de doden. Dagen geleden
Voelden wij dauw, leefden in ‘t heden
Hadden lief, werden bemind, nu zijn we vrucht
Op ‘t Vlaamse land.

Bevecht onze vijand, wees voort de handhaver
Tot u gooien wij vanuit het rood klaver
De toorts; verhef hem vooral uit eerzucht
Doof nooit de vlam, bewaar uw krijgstucht
Anders slapen wij nimmer, al groeit de papaver
Op ‘t Vlaamse land.

DE KLEINE PRINS

Hij kwam naar mij en zei: ik ben
eendenlever in kartonnen doosjes
neemt en eet hiervan
divanrode blossen op zijn wangen
een prins ben ik een prins
klein van gestalte.

Een vliegenier vloog over en
lichtte bij met Venus: zaklamp
op de tast naar serpentaria
niet te geloven hij was
doodgewoon bevroren.

Geef hem een reus geef hem
een roos een reus van een roos
riep here pilotist crescendo
naar me toe – wist ik veel
dat hij mijn zwakte kende.

Dat de hoogheid honger had
klonk het aan mijn voeten
en ik struikelde erover
wel ‘k heb hem tussen ‘t beven
een nieuw leven toe gegeven.

SEINGEVER

Van achter de bosjes sprong hij
klapwiekend met zijn knoken
(zijn mantel in urinegeel verschoten)
seingever om middernacht
geen enkeling was ooit door hem verstoten.

De ander kwam hem tegemoet
niet eens zo zwaar in het gemoed
ontvouwend blote armen
en weg was hij – kwam liever
onverwacht.

GEBROKEN WATER

Ik had haar even heel mijn ziel gegeven
en bij tijd en stond wat medeleven
(harde noten kraken niet vanzelf)

en gewis, daar in het struikgewas
een kopvoeter bewoog door ‘t gras
struweelgefluister, blote voeten,
armen bijna waterpas – maar ik

jaag stampvoetend de wormen
uit de grond en roep:
in welke wereld zal hij nagels bijten.

KIND VAN WELKE WERELD

Acht ben ik en in de tuin
steek ik mijn tong uit
de bij mij
ik laat ze vliegen
ze is bijna uitgestorven

‘s nachts kijk ik naar de wereld
knip het licht aan en zuig
de onzichtbare angel eruit

zeventien ben ik
niet langer groen achter mijn oren
klopt oom Norm me op de schouders
als in: bravo, je hebt je genesis voltooid

wat ik wel ben: blote billen in kastanjes
(wie de boom hakt hakt ook mij)

of ik mijn wereld kennen wil
slaat oom Norm me op de billen
of ik besef dat mijn billenkloof
niet die tussen arm en rijk is
ziedaar een handtekening
onbruikbaar voor Kyoto

geen reet kan het me schelen
bijt ik de schimmel toe
te groen achter mijn oren
laat oom Norm me horen

eenentwintig ben ik
van grote bomen mag ik dromen
voor blote billen moet ik schromen
enkel spaarvarkenreten zijn insteekspleten
hou je buitenkornuiten maar binnen

vijf ben ik
er zit een wereld onder ‘t bed, mama
knip het licht uit, papa
ik ben bang.

BLOK

Hap
HAP HAP
Hap hap hap
Hap hap HAPPERDEHAP

Blok

Blok blokkerde BLOK

BLOK blok blok

Blok HAP BLOK BLOKKERDEBLOK

Blok blok BLOKBLOK

Blok BLOKBLOK

BLOKBLOKBLOK blok blok

Hap
Hap hap
Hap hap hap
Hap hap HAPPERDEHAP

BLOKKERDEBLOKKERDEBLOK

Blokkerdeblokkerdeblok BLOK

BLOKKERDEblokkerdeBLOK blok blok

HAP

BLOKKERDEBLOKKERDEBLOK

BLOK BLOK BLOK BLOK

TING

HAPPERDEHAPPERDEHAP HAP HAP
Bla bla bla
HAPPERDEHAPPERDEHAP
Bla mmm BLA BLA mmm BLA BLA mmm bla
HAP HAP HAP happerde HAP

ZAP hap ZAP hap ZAP ZAP
ZapperdezapperdeZZZZZZ.

MORGENSTOND

Weg zilv’ren slingers van nevel
geen groeiende maan in ‘t verschiet
ondergoed, joints achterwege
beneveld aan ‘t werk onder ‘t lied
nachtegaals, wolven en wezels.

Oprechtheid herleid tot genomen
lichaamloos levend in ‘t nu
verschrompeld tot hersenloos dromen
komen en gaan zij, foutu
om ‘s avonds te drinken, grand cru.

REIZEN

Ik zou zo graag eens weg willen gaan
zonder terug te moeten keren naar
een huis met tuin en achterste garage
die wat kleiner dan de voorste is.

Ik zou zo graag eens weg willen gaan
zonder om te moeten kijken naar
een straat met kerk en kolder
van hondenstront met vlagjes.

Ik zou zo graag eens willen reizen
met het paspoort van een grijze
zonder ooit te moeten boeten
voor wat eet- en drinkgelagjes.

Ik zou zo graag eens willen reizen
met alleen maar dikke boeken
tandenborstel en wat koeken
doe geen mensen want ik mijd ze.

DE REIZIGER

Altijd onderweg en onverdroten
nooit een hertenkalf geschoten
ziehier: een reiziger vertelt
zingend over wat hem kwelt

van panda’s en van sloten
van nacht’lijke exploten
van tempel, tijger, totem
en van dansen in z’n bloten

maar dat alles zinkt in ‘t niet
als een spiegel komt in ‘t lied
geen speciale van de kapper
geen op voetjes, maar heel dapper

een spiegel van zichzelf alleen
omkaderd met wat mos en veen
en dons van ‘t eendenkuiken
als ornaat van blote buiken

vanuit de spiegel sprak een stem
kijk naar je lichaam zonder rem
maar liever nog, en blijf bescheiden,
naar je leven en je lijden

toen hij dat bezongen had
nam hij een slok uit ‘t dichtste vat
en de spiegel uit zijn broek
vermaledijde was zijn vloek

en op de grond in honderd stukken
lag zijn ziel, het moet nu lukken:
op de markt verleden week
heb ‘k hem gezien, hij zag niet bleek

maar rood tot aan zijn beide oren
uit schroom was hij opnieuw geboren
geen mens zou zeggen: da’s een gek
die reiziger met vranke bek.

DE WOORDENMAN 

Voor u staat Jan, de woordenman,
die ben ik al sinds jaren.
Geen mens gelooft het, maar ik kan
uw klankenresems baren.

Mijn afkomst is niet relevant,
mijn aankomst des te meer
want waar ik ook maar aanbeland
daar neemt men ‘t woord, meneer.

Ik baar er grote en heel kleine
zelfs -als het meezit- meters lang.
Verschoning als er ooit verdwijnen,
‘k maak wel nieuwe, wees niet bang.

Een mand vol woorden heb ik hier,
een mond vol woorden bied ik.
Zoals geen zee kan zonder wier
geeft ook geen zin woordloos een kik.

Vergast u mij op een pint bier,
verleidt u mij tot een glas wijn,
dan mag u op mijn gunsten rekenen:
woorden baar ik per dozijn.

Maar als u zich echt te ver waagt
op voeten met een vat ertussen
vergeef mij dan mijn zot geplaag
en schrik niet van uw lapsussen.

HAIKU

Wevend in stilte
houdt de eik het aards venijn
met haar wortels vast.

BROOD EN SPELEN

Toen mijn benen bij de bakker stopten
heb ik gegroet, wat opgelaten,
een brood gekocht, het pand verlaten,
gestruikeld toen ik door de regen sopte.

Nadat mijn geld was opgeborgen
heb ik de sneetjes maar gegeten
en luisterend naar de hifiketen
mij afgevraagd: wat morgen?

*****

Alle rechten voorbehouden.

Advertenties
reacties
  1. thrammy schreef:

    Eindelijk eens iemand die fris van de lever aan poëzie doet. Zou wel liever per gedicht willen reageren, maar kom. Een opsteker, een waardering in het algemeen is ook nooit weg. Ik vind de Vlaamse poëzie net iets meer smeuïg dan de Nederlandse. Ik vind dit mooi werk en zal u vanaf vandaag graag volgen. Groet aan David Troch uit Gent!

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s