Archief voor april, 2012

Ik zat laatst op een boorplatform
een meermin te beloeren.
Ze deed haar best om met haar vin
mijn zinnen te beroeren.

Ik ben een ster, zo sprak de vrouw
bij monde van haar kieuw,
en ben ontsproten hier en nu
uit ’t schuim der ballen – Ieuw,

riep ik, gij pervers wezen,
sta op, pak uw schelp en ga.

Spijts haar moeite kon ze ’t niet,
ziehier de psalm, moreel failliet,
maar leuk om eens te lezen.

Advertenties

εὕρηκα

Ik juich als ik de containergeur van de peuterklas
ruik in een andere container zo’n negentien jaar later.

[Container is een lelijk woord.
Als gij lelijke woorden ontmoet,
zult gij synoniemen zoeken,
zei ooit een wijze meneer
of toch niet, maar als hij
echt wijs geweest was,
dan had hij het gezegd.
Wie zoekt, die vindt,
zei Jef Nys en ik vond
mezelf en een kwartje
in omgekeerde volgorde,
maar geen synoniem,
behalve verzamelbak.
Verzamelbak dus.]

*Papier wordt elektronisch verfrommeld en gedeletet, jazeker met een ‘t’ vanachter,
gij achterlijk rood onderstreepsel dat ge zijt -lap, nu begint hij onderstreepsel ook te onderstrepen,
hebt ge ooit al van een wezen zijn bestaan geweten dat het nodig vond zichzelf te onderstrepen?-

als ge het niet meer weet, ’t is naar analogie van indevuilbakgemikt.*

(De eerste twee verzen worden bij dezen geherformuleerd, nvdr)

Ik juich als ik de verzamelbakkengeur van de peuterklas ruik
in een andere verzamelbak zo’n negentien jaar later.

Mezelf pleeg ik dan ook
een geboren nostalgicus
te noemen, hoewel ik geloof
dat dit niet zo speciaal is
aangezien ik geen enkele
nostalgicus ken die nooit
geboren werd.

Ik loop nog net niet naakt door de Syraceense straten als
ik een eerste druk of iemand anders voor mij heb gevonden
(getooid in livrei) op de vlonder van mijn meters stonden.

[Maar wat zal het, als tijd niet bestaat.]

Kijk niet zo verdwaasd, het is niet meer dan een spinsel,
hoe meer ge erin trapt, hoe meer ge verward raakt.
En bij hoge appetijtsgraad zult gij verslonden worden.

Waarde frieten- en kroketteneters

U zult het niet geloven, maar vandaag ben ik een letter binnengewandeld.

Enkele geniale malloten -zo u wil malle genieën- hadden destijds het idee opgevat om van M een museum te maken in Leuven.
Vandaag dacht ik: als zij een idee kunnen opvatten, dan kan ik dat ook. Met name: M binnenwandelen.

Waar dat binnenwandelen wegens acuut bezoekersgebrek in opperbeste condities geschiedde, was het museumstruinen zelf wat moeilijker, vanwege het feit dat ik mij achter een gids met aanhangsels (lees: 30 schoolkinderen) door de domus artis verplaatste.
Zeer strategisch weliswaar, aangezien ik op die manier een gratis graantje kon meepikken van uitleg over middeleeuwse missen die drie uur duurden, uitwerpselmachines, getatoeëerde varkens en seksende skeletten van een zekere Delvoye (hoewel die kunstwerken nergens te bekennen waren – ik ben speciaal nog eens op mijn stappen teruggekeerd, dat spreekt).
Vijf kunstenaars waarvan ik hun werk en/of idee de moeite vond:

August Knip, wegens de prachtige landschapsschilderijen.
Jan Brueghel de Oude, omdat het niet altijd Pieter moet zijn.
James Ensor, vanwege de prachtige pentekeningen.
Constantin Meunier, omdat hij beelden maakte van onbekende werkmensen. En omdat één van die beelden ‘de puddeler’ ofte puddelaar getiteld was, ik dientengevolge enkele seconden dacht dyslectisch te zijn, doch later ontdekte dat dit een ijzerwerker is die erts omroert. Weeral bijgeleerd.
Wannes Goetschalckx, wegens de benadrukking van ons routineuze, ritmisch herhalende en misschien wel vooral onbeduidende leven, voorgesteld door verschillende installaties, onder meer in zijn werk ‘Without’ voor de biënnale van 2010 in Liverpool.

Vooral de laatste trok mijn aandacht wegens zijn meer dan interessante gedachtegoed.

Gezien de complete nutteloosheid van museumbesprekingen (ik heb de stellige indruk dat smaken op het gebied van kunst nogal durven te verschillen), laat ik u verder in het ongewisse.

Gegroet

P.S. Als u ooit ook eens de vermaarde letter zou binnenwandelen, begeef u en al uw gelederen dan richting dakterras.
Het is gigantisch, u geniet er een niet te versmaden uitzicht over de potteriaanse universiteitsbibliotheek én als u geluk heeft, bent u er volledig alleen. Leuk is dat.

Haikunamatata

Geplaatst: 21 april 2012 in Gedichten, Koetjes en kalfjes
Tags:, ,

De kastanje bloeit.
Hij toont zijn witte kaarsen.
’t Zal wel lente zijn.

Reflex Action System

Ge moet het eens lezen
in het boek van Philips
van Alexandrië of niet
– ’t zou kunnen want
ooit was de bibliotheek
er groot genoeg – maar
eerder die zwartgrijze
namaakdildo die het
volgens zijn eigen reclame
nogal comfortably close
doet met je eigenste zelf.

Washable shaver: simply rinses clean 

Soit, het klinkt voor mij
wat al te bioscooptrailerachtig
en ik kan het me niet veroorloven
al lachend dubbel te plooien
of Philips zit aan m’n lippen
en ik ben homo voor je ’t weet.

[Ge zult het maar meemaken
den Philips die uitvalt
als ge op een haar na niet
gladgeschoren zijt.]

Super Lift & Cut Technology: comfortably close 

O Philips de Goede,
gij die hoog etiquette
in het vaandel draagt,
O Philips de Stoute!

Spring-released pop-up trimmer: moustache and sideburn trimming 

Wilt gij geen poriën meer
kussen geen landgoed
maaien zijt ge vermoeid
of  is het dat
Uwe Hubrisiaanse Hoogheid
te ontdekken komt
dat zijn etiquette
geëtiketteerd is
met € 74.99?

Comfort Shaving Heads: smooth skin contact

Maar Philips de Schone,
ik hou van u,
een. beetje. veel.

 

Vermetele boerderijknechten

Vermits gijlie daar toch maar ligt te gapen gelijk de apen,
zal ondergetekende u met een verhaal verblijden.

Er was eens… Jaak, de mestboer.

Een mestboer heeft vele mestkevers op zijn mesthoop. Zo ook Jaak.
Jaak sloot al gauw een innige vriendschap met Juul, de Opperste Hotemetoot van de mestkevers.

Op een dag was Jaak op bezoek bij Juul.
Jaak spreidde zijn neusgaten net op het moment dat Juul hetzelfde deed met zijn vleugels.
Uit die laatstgenoemde vliegorganen sproot een dergelijke stank voort dat Jaak van de weeromstuit van zijn stokje lag.
’t Is te zeggen, misselijk werd. Ge moet dat stokje niet letterlijk nemen, hij is geen papegaai.
Juul stond daar nu met zijn mond vol tanden. Hij zat daar nu met de billen bloot.
En om het allemaal nog erger te maken: Juul had een hekel aan zegswijzen.
Gezien zijn halsstarrige weigering om spreekwoorden figuurlijk op te vatten,
haalde hij zijn kunstgebit uit zijn mond, liet hij de 90-jarige kevermeesteres Tanya op zijn bips slaan met een
roede waar Zwarte Piet jaloers op kon zijn, en trok hij vervolgens zijn broek en gebit terug aan.
Bedankt, Tanya, ik kan er weer even tegen.

Dit gezegd zijnde vloog Juul tussen de halfontbonden bananenschillen en de geheel verrotte eierschalen naar zijn uit humus opgetrokken keukenkastje. Vervolgens gooide hij met een wip van zijn dichtstbijzijnde voelspriet een flesje vlugzout op zijn dekschild en poetste hij de plaat richting ongenode gast.

Sjonge, sjonge, ’t is me wat met die mensenbeesten tegenwoordig.
Ge kunt ze niet meer onder uw vleugels nemen of ze vallen flauw.

Wordt niet vervolgd (voor uw eigen bestwil).

Boer Fons

Plompverloren. Zo voel ik me.
Geen vleugje aandacht, laat staan wat erotiek. Nee.
Geen mens die eraan denkt mijn zilverkleurig jasje uit te doen.
Geen man of vrouw of kind wil me pakken in het wulpse gras.
Zelfs- geloof het maar- geen ouderwetse bomma.

Ik lig daar maar. Opgesloten in de garage -of is het de kelder, ik weet het niet, ’t is hier zo donker- tussen andere slachtoffers.
En ge moet niet denken dat ze mij bij mijn vrienden hebben gezet, de beulen.
Ge moet niet denken dat de barbaren me een zitje geregeld hebben bij mijn maten.
GE MOET HET VOORAL NIET DENKEN, nee.
Ik zit daar maar te zitten.
Een asiel is het, ik zeg het u.
Nog erger dan het klein kasteeltje.

Nog steeds trouwens.

ZONDER bezoek. ’t Is maar dat ge ’t weet.

In een bende. Een bende van onbenulligen die elkaar van haar nog pluimen kennen- wat zeg je? Hoe ze eruit zien?
Links van mij zit er een witte. Van Zichem, zei hij. Hij is naakt, pasgeboren zo blijkt.
En aan mijn rechterzijde, oh, wat een vriendelijke neger! Zwart en hard vanbuiten – maar zo puur, zo zuiver dat hij is!
En ik, ik ben een bruine. Een tussenslag, jawel, ik hoor het u zeggen, niets meer en niets minder dan een mulat. Gelijk hebt ge.
Wilt ge dat ik de wittekop mee uitvraag? Vergeet het maar. De snotneus met spieren van botermelk.
En de zwarte, die ziet me niet staan. (Ik hem trouwens ook niet, in dit donker hol).

Als ’t hier nog lang gaat duren, zal ’t hier rap gedaan zijn.
Mijn botten worden poreus in die vochtige kelder.
En dat wil ik niet. Weet ge wat ik wil? Weet ge het? Nee?
‘k Zal het u eens zeggen. Kom eens hier. Dat ik het u in uw oor fluister.

(Ik wil dat de beulen komen en dat ze mij slaan. Ge kent dat wel. Me hier en daar een klopke geven, sm-gewijs.

Dat ze zo al mijn botten breken. En me vervolgens in hun grotten van monden steken. Ik wil dat mijn harde huid
smelt op hun warme tongtapijten. Ik, De Smeltende Mulat.)

Maar eerst… wachten.
Nu niet voor ’t een of ’t ander, maar …

het leven is behoorlijk saai
als paasei tijdens de Goede Week.