Poëzie

Hier vindt u alle gedichten die ooit verschenen als gedicht van de week in de rubriek aan de linkerkant van deze blog.
Dit archief wordt wekelijks aangevuld. (Althans dat is het streefdoel, waarop nogal wat uitzonderingen bestaan.)

VENUS

Ze voer op een schelp
of was het een oester
de parel uit het schuim der zee.

Bij vloed en springtij
zag ik haar
de branding sieren
om met teen en tong
de pier te strelen.

Als de pier kon was hij
rechtop gesprongen gewis
had hij de bronst getrokken
uit het monopolie
van mensen en dieren
en had hij uit bronst
een monopolie getrokken
voor de pieren.

Voor ik het wist was het eb.

BEZETEN

Na uren zitten stond ik recht
en de zetel had de vorm
van mijn zitvlak aangenomen.

Ik zei: ’t is ver gekomen
met het antropomorfisme.

Hij is me daar toen eventjes
omhoog gerezen
als om het spoor der mensheid
uit te vegen.

ZOEKERTJE

Gezocht: vriend zonder schild van
dertienhonderd en twee ogen
waar ik frietzuivere fierheid
in ontwaar.

Of zijn ze nergens
de zeldzame telgen
van Caesars dappersten,
ben ik de laatste twijg
van de sequoia
der moegetergde
lammegoedzakbelgen?

Ik heb de hoorn genomen
en mezelf voorgelogen
dat leeuw en haan
een laatste keer
van bil zijn gegaan.

GELDZUCHT

Hoe hard mijn woorden
ongenadig botsen
op een donker labyrint
van geldspuwende bomen.

Hoe in datzelfde woud
de geldwolf zich tot
minotaurus kroont.

Zo zal ik lachen als
de geldschieters komen.

ODE AAN DICHTERSDROMEN

Dag visserke vis met de pijp van Parijs
negentienhonderd. Goede morgen licht
wit als sneeuw die vallend zwicht
voor de stolp van dit glazen paleis.

Graaf je in – paukeslag – in de duinen,
strek je handjes – voel de hellebaarden tic
je twee handjes naar de toortsen tic tic,
breek ijs en stilte in zwetende tuinen.

Raap je pijp zet je pet op herinner
wat de donder gezegd heeft tic tic,
dat hij nooit ofte nimmer kan deren
een prins in een gracht zonder kleren.

Steek je sleutel in ’t hard helleslotje,
volg nu trouw elke ster en lantaren
om verlangend naar houtvuur tic tic
uit het wak van de wereld te varen.

’S NACHTS KOMEN DE VOSSEN

Voor minder doe ik het niet zei hij
en hij ging op in een massa van
toeristen en hamsteraars en
boektisten.

Hij trok een sleepspoor
in de sneeuw en zich terug
in zijn boekenburcht.

Zijn naam was Jules,
hij sprak geen Vlaams.

DEUR

Open is ze nooit
gesloten de witte
deur niet die van
Zichem dat boerengat
ongetwijfeld schoon
maar niet ter zake
da’s op canvas of
gebeitst cederhout met
een vleug dampende
ammoniak excuseer
om te ontvetten meneer
want haar hengsels
pakken niet voor niets
de muur zo stevig vast.

DANS MAAR

Jij

Op het ritme van een smeltend baldakijn van
hoop en al achtduizend
____________achthonderd
_______________achtenveertig meter.

Laat de drums –paukeslag- in je poriën,
roep de vluchtende Yeti in huis.
Ontmoet de duivel van dronken memoriën,
duld het leven als wat het slechts ruis.

|| Blijf dansen in een wereld van baarlijke nonsens,
breng als je baart niets dan nonsens ter wereld. ||

Word Sartriaans misselijk,
braak vol de potzwarte zee tot de vissen
de weg niet meer vinden, steek je struise kop
in ‘t zand, vogel vrank en vrij met je houten stok,
je kater, je houten kop in ’t water. Knak.

|| Brand je hoge bomen tot de wortel af
en ontgin je nieuwe begin verzin
een doel voor je akelig streven. ||

Haal geen uitgedroogde mensen op het droge,
geen bitterzoete broodjes bied hen aan
een vleugje hubrisiaanse zeg zal ’t gaan.

Maar beloof
dat je ook jezelf zal weggooien met het water.

VAN ALLE TIJDEN

Bont bepriesterd was ons landje

rond de oorlog nog. Kanseltieren
godsgeschreeuw en meer begon
de kerk te sieren. Ook toen al doch
kindvriendelijke pedofielen.

Fel beboste paterbenen prakten
tere peutertenen tot een hoopje
zaad dat nooit zou kiemen.

Braakt nu niet gij allen maar
plukt wat gij geoogst hebt
mogen wíj nu preken
na de zondaars ten tonele
in de vergeetput Gods te steken.

MIJMERPOËZIE, EIGEN RECEPT

εὕρηκα

Ik juich als ik de containergeur van de peuterklas
ruik in een andere container zo’n negentien jaar later.

[Container is een lelijk woord.
Als gij lelijke woorden ontmoet,
zult gij synoniemen zoeken,
zei ooit een wijze meneer
of toch niet, maar als hij
echt wijs geweest was,
dan had hij het gezegd.
Wie zoekt, die vindt,
zei Jef Nys en ik vond
mezelf en een kwartje
in omgekeerde volgorde,
maar geen synoniem,
behalve verzamelbak.
Verzamelbak dus.]

*Papier wordt elektronisch verfrommeld en gedeletet, jazeker met een ‘t’ vanachter,
gij achterlijk rood onderstreepsel dat ge zijt -lap, nu begint hij onderstreepsel ook te onderstrepen,
hebt ge ooit al van een wezen zijn bestaan geweten dat het nodig vond zichzelf te onderstrepen?-

als ge het niet meer weet, ‘t is naar analogie van indevuilbakgemikt.*

(De eerste twee verzen worden bij dezen geherformuleerd, nvdr)

Ik juich als ik de verzamelbakkengeur van de peuterklas ruik
in een andere verzamelbak zo’n negentien jaar later.

Mezelf pleeg ik dan ook
een geboren nostalgicus
te noemen, hoewel ik geloof
dat dit niet zo speciaal is
aangezien ik geen enkele
nostalgicus ken die nooit
geboren werd.

Ik loop nog net niet naakt door de Syraceense straten als
ik een eerste druk of iemand anders voor mij heb gevonden
(getooid in livrei) op de vlonder van mijn meters stonden.

[Maar wat zal het, als tijd niet bestaat.]

Kijk niet zo verdwaasd, het is niet meer dan een spinsel,
hoe meer ge erin trapt, hoe meer ge verward raakt.
En bij hoge appetijtsgraad zult gij verslonden worden.

PANORAMA

<Camera draait>

Fluit  speelt. 
P A U K E S L A G
Fluit speelt.

De mist komt over de bergen.
De wolf huilt, de wolvin huilt,
het wolvenkind huilt niet en
dat had u niet verwacht.

Fluit zwelt aan,
trom trom trom
tro tro tro tro trom
trom trom trom
P A U K E S L A G

De mist wordt gewist
door een veer op
de verweerde kop
van een squaw.

Regenpijp kantelt.
En opnieuw.
En opnieuw en opnieuw
en opnieuw en opnieuw
en – stop de tijd.

<Zoom in>

De mocassins
sloffen en pletsen
en ploffen op het
gekwelde korstmos.

<Zoom uit>

En doorheen
de hete bliksem
sist en lispelt ze:

Dag donder dag
Thor til je speer daar
waar het donker is
bezwem het meer
dat immer dronken is
sidder bibber beef
ik ben een vrouw.

VENUS BIS

Ik zat laatst op een boorplatform
een meermin te beloeren.
Ze deed haar best om met haar vin
mijn zinnen te beroeren.

Ik ben een ster, zo sprak de vrouw
bij monde van haar kieuw,
en ben ontsproten hier en nu
uit ‘t schuim der ballen – Ieuw,

riep ik, gij pervers wezen,
sta op, pak uw schelp en ga.

Spijts haar moeite kon ze ‘t niet,
ziehier de psalm, moreel failliet,
maar leuk om eens te lezen.

JANUSHAREN

Ik ben een Vlaams tapijt,
massage voor propere voeten,
schuurpapier voor Janusharen.

Ik heb je blootsvoets
laten komen en
moedwillig
de pruik der bokken
opgezet.

De tapijtentaak
is nobel zolang jij
de garen niet bezet.

Scheer je en je weg.


Reacties
  1. thrammy zegt:

    Eindelijk eens iemand die fris van de lever aan poëzie doet. Zou wel liever per gedicht willen reageren, maar kom. Een opsteker, een waardering in het algemeen is ook nooit weg. Ik vind de Vlaamse poëzie net iets meer smeuïg dan de Nederlandse. Ik vind dit mooi werk en zal u vanaf vandaag graag volgen. Groet aan David Troch uit Gent!

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s